‘Wat als werken toch niet leuk was?’ – recensie van dit boek

Wat als werken toch niet leuk was?Recensie van het boek Wat als werken toch niet leuk was?. Auteur Nicolas Desmet pleit voor een realistische kijk op werk en personeelsbeleid.

Mindfulness. Ontwikkelplannen. Heidagen met motiverende sprekers. Dit zijn slechts drie voorbeelden van maatregelen waarmee organisaties het werkgeluk proberen te vergroten. Want, zo is de gedachte, een gelukkige werknemer is een productieve werknemer. Steeds meer organisaties kennen zelfs een Chief Happiness Officer: een hr-manager die zich puur en alleen bekommert om het geluk van de medewerker.

Het klinkt positief, maar werkt het ook? Maakt al die aandacht voor geluk écht gelukkiger?

Het streven naar geluk maakt ons ongelukkig

Het boek Wat als werken toch niet leuk was? van hr-consultant Nicolas Desmet geeft een duidelijk antwoord: nee. In de afgelopen jaren zijn mensen en organisaties zich zó gaan richten op ‘geluk’ dat we het steeds moeilijker vinden om de mindere momenten te accepteren. De verwachting is dat ons leven altijd leuk moet zijn en dat we ons voortdurend kunnen en moeten ontwikkelen. Intussen vergeten we waar werken echt om draait: anderen helpen en je plicht doen. En nee, dat is niet altijd leuk. Soms moeten we nu eenmaal dingen doen die we liever niet zouden doen, of waar we zelf geen voordeel uit halen.

Er doet zich een wonderlijke paradox voor: hoe meer we streven naar geluk, des te ongelukkiger we worden. Hoe meer we bezig zijn met ons te ontwikkelen tot ‘een betere versie van onszelf’, des te vaker we te maken krijgen met teleurstelling, stress en burn-out. Desmet verwijst in dit deel van zijn betoog veelvuldig naar het gedachtegoed van de Deense psycholoog Svend Brinkmann. Brinkmann levert in zijn (overigens fantastische) boek Standvastig kritiek op de hedendaagse ‘accelererende cultuur’ waarin iedereen de druk voelt om zich eindeloos te moeten blijven ontwikkelen.

Een gematigd geloof in ontwikkeling

Toch wijkt Desmet op een belangrijk punt af van Brinkmann. In Standvastig steekt Brinkmann de draak met het idee dat werknemers zich moeten bezighouden met constante zelfverbetering. Zo zegt hij:

“Als iemand, bijvoorbeeld tijdens een ontwikkelingsgesprek, wil dat je je toelegt op je ‘persoonlijke ontwikkeling’, zeg dan vriendelijk nee. Zeg dat je liever een ‘taartregeling’ zou willen hebben.”

Desmet wijst het ontwikkelen en evalueren van werknemers niet zo radicaal af. Werknemers zijn namelijk de motor van de organisatie, zegt hij, en gemotiveerde medewerkers zorgen voor tevreden klanten.

Desmet is een groot voorstander van competentiemanagement. Dat zou de beste basis vormen voor de ontwikkeling van werknemers. Daarnaast breekt hij een lans voor – onder andere – coachend leidinggeven en eerlijke communicatie. Hij merkt daarbij op dat een methodiek nooit een doel op zich moet zijn, maar een middel. Wees kritisch op hr-tools, gebruik alleen wat in de praktijk ook echt kans van slagen heeft, en wees niet bang om stukjes van de theorie af te vijlen als dat ervoor zorgt dat de methode beter past in de realiteit.

Want dat is uiteindelijk waar Desmet voor pleit: meer realisme op de werkvloer. De gedachte dat je werkgeluk kunt maken, klinkt sympathiek, maar het schept ook verwachtingen die onmogelijk waargemaakt kunnen worden. Met nóg meer frustratie als gevolg. Volgens Desmet kunnen we daarom beter wat minder hoog inzetten en kijken naar wat haalbaar is.

Laatdunkend over de kortere werkweek

Wat als werken toch niet leuk was? schuurt soms behoorlijk. Tijdens het lezen bekroop me het gevoel dat Desmet wel héél sterk gelooft in de zaligmakendheid van werk. Een leven buiten je baan is leuk en aardig, maar we leven toch vooral om te werken. Hij zegt dat niet letterlijk, maar het is wel wat ik hier en daar proef. Zo citeert hij aan het begin van het boek instemmend de filosoof Ignaas Devisch:

“Minder werken is niet per se een oplossing tegen stress, want het is zonneklaar dat we als we minder gaan werken, we onze vrije tijd zullen volproppen met allerhande activiteiten – van verloren groenten kweken tot salsa dansen.”

Die laatdunkendheid lijkt mij onterecht. Is de tijd op het werk dan per definitie nuttiger besteed? Waarom zou het niet waardevol zijn om wat meer tijd te besteden aan hobby’s, studie, mantelzorg, vrijwilligerswerk, het opvoeden van je kinderen en het samenzijn met vrienden en familie? Werken heeft zeker z’n functie, maar het zijn toch ook juist deze bezigheden die ons leven zin geven. Een kortere werkweek maakt het mogelijk om ze wat vaker en zonder haast te kunnen doen.

Waar komt die burn-out vandaan?

Iets anders waar ik me moeilijk in kan vinden, is zijn kijk op de huidige burn-outepidemie. Terecht stelt Desmet dat er niet één oorzaak is en dat vele factoren bijdragen aan burn-out. Hij erkent ook dat het werk een rol kan spelen. Maar vervolgens legt hij wel erg de nadruk op de verantwoordelijkheid van de werknemer. Die zou bijvoorbeeld in het weekend te druk zijn met afspraken en te vaak op z’n telefoon kijken. En intussen krijgt het werk de schuld van die stress, aldus Desmet.

Maar is dat wel zo? In een tijd waarin werkenden te maken hebben met een hypercompetitieve en onzekere arbeidsmarkt, toenemende werkdruk, bullshit jobs, gekmakende kantoortuinen, pesten op het werk en altijd bereikbaar en beschikbaar moeten zijn voor de baas, vind ik het niet zo vreemd om de oorzaken van stressklachten in eerste instantie op de werkvloer te zoeken.

Zijn stelling dat de werkgever telkens de schuld in de schoenen krijgt geschoven, is bovendien zwaar overdreven. Bedrijfsartsen – die in principe onafhankelijk zijn – ervaren soms juist sterke druk om partij te moeten kiezen voor de werkgever. Een opgebrande werknemer die aanklopt bij een coach krijgt in veel gevallen te horen dat hij moet werken aan zijn eigen ‘veerkracht’. En in glossy’s en op internet verschijnen nog altijd tig keer vaker artikelen met titels als ‘10 Tips Hoe Jij Stress Kunt Voorkomen’ dan ‘Je baas is de schuld van je burn-out’. Met die eeuwige beschuldigende vinger richting werkgever valt het dus wel mee.

Het eindoordeel

Maar ook al ben je het als lezer niet altijd met de schrijver eens, het maakt het verhaal niet minder boeiend. Desmet hoopt op z’n minst twijfel te zaaien, zegt hij, en dat lukt hem goed. Hij plaatst vraagtekens bij populaire hr-trends, zet de lezer aan het denken en besluit het boek met enkele handreikingen om toch tot een degelijk en realistisch personeelsbeleid te komen. Dat maakt Wat als werken toch niet leuk was? een relevant boek voor iedereen die werknemers wil motiveren, zonder mee te gaan met de gelukshype.

Nicolas Desmet, Wat als werken toch niet leuk was? Paradox van de positieve psychologie in HR, Garant-Uitgevers, 160 pagina’s, €21,00. Bestel hier het boek >>

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op hswerknemer.nl.